Toen en Noow afl. 68, gepubliceerd in Land van Weert 27 mei 2015
We zien de binnenstad, gezien vanuit het centrum richting het noorden. De - onbekende - fotograaf had zich om de foto te maken op een plekje op de toren van de Martinuskerk genesteld, daar waar de balustrade zich bevindt, maar waar hij nog de houten spitsconstructie in zijn rug had (u weet wel, die er in november 1940 vanaf waaide).

De situatie die hij vastlegde, is er duidelijk een van voor 1940. Achterop de foto staat weliswaar het jaartal 1922, maar ook aspecten van de foto zelf verraden een vooroorlogse datering, in elk geval van vóór 1926. Want het witte gebouw in het midden van de foto, net boven de bomenrij rond de kasteelgracht, is de latere Tiendschuur, ons onderwerp van de vorige keer.
Dat pand verraadt met zijn geheel witte vlakken nog de situatie van voor 1926 - het moment dat burgemeester Willem Kolkman zijn verbouwing van het woonhuisgedeelte gereed had. In deze hoedanigheid straalt het gebouw nog meer de sfeer uit van een boerderij. En bovendien: daarmee hebben we een oudere foto dan die uit 1944 te pakken!
Aan de horizon een lekker 'leeg' Laar. Slechts de huizen in het midden van de foto wijzen op het tracé van de Laarderweg (nu: Oude Laarderweg).
In het buitengebied van Weert zijn nog volop akker en weidelanden, de bebouwing aan deze zijde van het kanaal tussen Stads- en Biesterbrug ontbreekt en het klooster van de Franciscanen en Minderbroeders ligt fraai te midden van het groen.
Dat bebouwingsarme deel levert wel al een paar interessante observaties. We zien, behalve de latere Tiendschuur, een aantal 'situaties', waarvan ik het bestaan nog nauwelijks gedocumenteerd heb gezien. Ik bedoel hier het veld met de vele verticale palen(?), het lage gebouw in het midden en het kleine huisje achter de bomenrij links en de twee barakken links.
Laten de laatste zich mogelijk nog duiden als een soort noodlokalen van de lts, de ambachtsschool waarvan we nog net een glimp opvangen aan de linkerzijde, de betekenis van de twee gebouwtjes links naast de boerderij van Kolkman zijn mij onbekend. Het kleinste van de twee is mogelijk een schuurtje dat behoorde bij de boerderij.
Van het gebouwtje meer naar links en dichter bij de school kan ik vertellen dat het op enig moment onderdeel uitmaakte van een soort verkeersschool met nagebouwde verkeersroutes voor de jeugd met als doel: het oefenen van allerlei verkeerssituaties.
Dat 'verkeersplein' lijkt in deze opname nog niet gerealiseerd. Wie meer weet van de net genoemde gebouwen mag dat zeggen.
Wenden we ons naar de bebouwing in het centrum dan zien we daar nog een deel van de gracht van het kasteel, tussen de rij huizen die aan de Kasteelswal vormen.
Aan het begin ervan zien we, als afsluiting van de Oelemarkt, het pand liggen van de latere groentezaak van Wolter, in de volksmond De Mop genoemd. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd het pand naar het oosten richting Emmasingel uitgebreid en kreeg de winkel daar de ingang.
Kort daarachter, in een klein straatje tussen Hogesteenweg en Kasteelswal en hier nauwelijks als straatje te zien, lag het winkeltje van de dames Mieke en Betje Haex, beter bekend als Miekebetje. Nog meer naar links, ook aan de Hogesteenweg torent boven alles uit de mouttoren van Zuid-Hollandse Brouwerij, kortweg ZHB, gerund door P. H. J. Derix, die ook Sociëteit Corona aan de Oelemarkt exploiteerde. In het pand is nu café De Brouwer gevestigd.
De ZHB-brouwerij was voor een groot deel gevestigd in de voormalige panden van de N.V. Brouwerij Limburgia, die in 1921 failliet ging.
Aan de linkerzijde zien we nog een stukje van de Hegstraat, waar alles nog bebouwd is en de tand des tijds nog niet zó evident is dat die zou nopen tot slopen. Aan de straat, tussen de daken met witte rand, ligt een hoekpand, annex winkel (zichtbaar als zodanig aan de gevel vanwege de entree op de hoek) waar het Carisstraatje richting Oelemarkt loopt.