Mesolithicum Midden Steentijd (4.900-2000 voor Chr.)

tevens bekend als het Neoliticum 

Speerpunt 'Eiland van Weert' hoek St.-Sebastiaanskapelstraat/Molenweg

De middensteentijd ging over in de nieuwe steentijd. In deze periode veranderde het klimaat minimaal. De eik, beuk en els domineren nog steeds het landschap.

Speerpunt 'Eiland van Weert' hoek St.-Sebastiaanskapelstraat/Molenweg

In deze periode kwam ook de landbouw op. Het proces van de introductie van de landbouw wordt ook wel neolithisering genoemd. Dit proces verliep geleidelijk.

Bovendien verzamelde en jaagde mensen gedurende het proces nog geruime tijd naast de landbouw, getuigende enkele vindplaatsen. Ook vond het proces niet overal gelijktijdig plaats.

Voor de zandgronden in Zuid-Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in het Laat Neolithicum echt op gang kwam (Louwe Kooijmans, 1993; Verhart, 2000; Schreurs, 2005).

Neolithisering op het Eiland van Weert

Met de introductie van de landbouw (meer specifiek de akkerbouw) stelde de mens geleidelijk andere eisen aan de landschappelijke omgeving en kreeg er tegelijkertijd ook meer vat op.

In Zuid-Limburg kwam sinds circa 5300 v. Chr. landbouw voor, deze groep wordt aangeduid als de lineaire Bandkeramiekcultuur. Op het Eiland van Weert komt pas vanaf het derde millennium landbouw voor.

Bovendien lijkt het waarschijnlijk dat gedurende het Neolithicum beide systemen van voedselvoorziening naast elkaar voorkwamen. De mens kapte bossen (met stenen bijlen), waardoor open terreinen voor akkerbouw ontstonden. Een van deze stenen bijlen is in 1982 gevonden op de Biest. Zo kon de mens in de Nieuwe Steentijd het landschap aanpassen ten behoeve van zichzelf.

De boeren in het Weerterland worden gerekend tot de Michelsbergcultuur (ca. 4200-3400 voor Chr.). Ten­minste vanaf het Midden Neolithicum zijn in het gebied boeren aanwezig geweest, behorende tot de zogenaamde Michelsbergcultuur (ca. 4200-3400 voor Chr.).

Zij zochten hogere, vruchtbare delen in het landschap op. Deze cultuur werd gekenmerkt door geïsoleerde boerderijen, waar akkers omheen werden gelegd. Wanneer de bodem was uitgeput, werden nieuwe akkers aangelegd en de boerderij verplaatst.

Op de oude verlaten akkers ontwikkelde zich in de loop van de tijd weer een bos en vond een natuurlijk herstel van de vrucht­baarheid plaats. Vanaf het Neolithicum ging de mens, mogelijk als gevolg van  het ontstaan van vaste woon- en verblijfplaatsen de doden in de directe omgeving begraven’ In sommige gevallen werd over een graf een grafheuvel opgeworpen.

Bron