Het klimaat in de IJzertijd bleef ten aanzien van de bronstijd vrijwel nagenoeg ongewijzigd. Daarentegen veranderde de vegetatie in deze periode ingrijpend.
Omdat de landbouw definitief zijn intrede deed in het Weerterland, nam het eiken-berkenbos af. Steeds meer bossen werden gekapt ten behoeve van de akkerbouw. Hierdoor groeide tevens de oppervlakte van de heidevelden.
De boerderijen verhuisden mee naar de nieuwe akkergebieden, waardoor wordt gesproken van zogenaamde ‘zwervende erven’.
De elzenbossen in de beekdalen bleven voorlopig intact. De veengroei (Groote Peel) in de laaggelegen delen van het landschap bereikte vermoedelijk in de IJzertijd de maximale omvang.
In de IJzertijd worden de vroege- (800-500 voor Chr.), midden- (500-250 voor Chr.) en de late- IJzertijd (250-12 voor Chr.) onderscheiden. De vroege IJzertijd behoort nog tot de urnenveldenperiode, met verspreide bewoning rond gezamenlijke urnenvelden, zoals op de Boshoverheide.
Vanaf de midden- en late- IJzertijd echter ontstonden geleidelijk meer plaatsvaste nederzettingen en raken de urnenvelden buiten gebruik. Op de Molenakkerdreef zijn in slechts 4 van de 124 graven compleet aardewerk gevonden.
In plaats daarvan worden kleinere ‘familie’ grafvelden gebruikt. De urnen alsmede vervangen door en het aardewerk werden in deze periode door de mens met de hand gevormd. Op Laarveld fase 4 is recentelijk vervangen door medio 2020 aardewerk uit de vroege IJzertijd aangetroffen.
Uit grootschalig onderzoek op het Eiland van Weert sinds het midden van de jaren 90 van de vorige eeuw, blijkt dat de bewoning in de IJzertijd werd gekenmerkt door verspreid in het landschap liggende boerderijen.
Na verloop van tijd trad er een natuurlijk herstel op van de eerder gecultiveerde gronden en konden deze opnieuw in gebruik worden genomen. In deze perioden ontstonden hierdoor grote akkerarealen vervangen door akkergebieden (‘Celtic Fields’), die doorgaans vele hectaren omvatten.
In de laatste fase van de late IJzertijd, vlak voor de komst van de Romeinen, wordt deze eenvoudige, agrarische samenleving waarschijnlijk complexer. Hiermee wordt bedoeld dat er langzaamaan meer en verschillende machtsverhoudingen ontstonden.
Op dat moment was er echter nog geen centrale macht, maar verschillende koningen en vorsten die elkaars gelijken waren, ontstonden wél in deze periode. De complexiteit van de samenleving nam in de Romeinse tijd
Gedurende de IJzertijd ontstonden tevens grotere boerderijen, waarbij men zich niet alleen kon bezighouden met de landbouw, maar zich ook kon bekwamen in metaalbewerking. De periode kenmerkt zich door de verscheidenheid aan verschillende voorwerpen die konden worden gemaakt met ijzer.
