Mesolithicum Midden Steentijd

Mesolithicum (8.800-4.900 voor Chr.): Preboreaal-Boreaal-Atlanticum

Verbeelding van de jacht op het edelhert op de locatie Mildert (Nederweert)

De aanvang van het Mesolithicum (het Preboreaal: 8.000-7.000 jaar voor Chr.) ken­merkte zich door een sterke klimaatsverbetering. Vanaf deze periode werd het over­grote deel van het Eiland van Weert voor de mens toegankelijk. De vegetatie die zich aan het eind van de ijstijd nog kenmerkte als een toendra-vegetatie veranderde in een gesloten berkenbos, gevolgd door een gesloten dennenbos (taiga).

Vanaf het Boreaal (7.000-6.000 jaar voor Chr.) arriveerden de eerste warmteminnende planten (zoals de hazelaar en eik), waarbij het aandeel den en berk snel werd teruggedrongen.

Bij aan­vang van het Atlanticum (circa 6.000 jaar voor Chr.) was het klimaat reeds dermate verbeterd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit warmteminnende soorten.

Eiland van Weert

Op de hoger gelegen zandgronden ontwikkelde zich in korte tijd een eiken-berkenbos, in de rivier- en beekdalen en andere lagergelegen delen werd de vegetatie gedomineerd door vochtige elzenbossen. De den was vrijwel verdwenen. Gedurende het Atlanticum (6.000-3.000 jaar voor Chr.) veranderde er vervolgens relatief weinig in deze vegetatieopbouw.

Met name door de vrij snelle overgang van naaldbos met een relatief hoge verdam­ping naar loofbos met een relatief lage verdamping, trad in het Atlanticum een sterke grondwaterspiegelstijging op[1]. Deze vernatting had tot gevolg dat in de laaggelegen zones op grote schaal veenvorming kon optreden. Beekdalen groei­den hierdoor dicht. Als gevolg stagneerde de afwatering en vernatte het landschap nog verder. Hoewel de mens nog altijd leefde als rondtrekkende jager-verzamelaar, ontwikkelde hij door de meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna geleidelijk andere voedselpatronen. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht stonden hierin nog altijd centraal. Binnen de jacht verschoof het accent echter naar klein standwild, dat de grote kudden rondtrekkende dieren van het taigalandschap definitief vervangen had.

Het veranderende voedselaanbod vereiste andere, veelal kleinere, werktuigen. De mens verbleef steeds tijdelijk op bepaalde locaties in het landschap, locaties waar men (gevarieerd) voedsel of grondstoffen kon verzamelen en/of verwerken.

Tussen Nederweert-Eind en de zuidrand van Weert strekt zich een langgerekt vennengebied uit, eens onderdeel van De Grote Peel. De Banen, Sarsven, Kwegt, Schoorkuilen en Roeventerpeel maken hier deel van uit en zijn thans in beheer bij Het Limburgs Landschap.

De met elkaar in verbinding staande vencomplexen herbergen veel en bijzondere natuurwaarden. Op diverse plaatsen staan uitkijkplatforms en kijkhutten waardoor het gebied goed te overzien is.

Het is een van de belangrijkste Nederlandse vindplaatsen van bewoning uit de Steentijd. Tijdens archeologisch onderzoek zijn voorwerpen aangetroffen van rondtrekkende jager-verzamelaars van zo’n 13.000 jaar geleden. Even verderop is de archeologische vindplaats bij De Mildert gelegen.

 

[1] Berendsen 1997